Bron: x.com | Methode: Deep Research
Origineel: “Thousands have been murdered in Iran. Greta Thunberg? Silent. Francesca Albanese? Silent. Mehdi Hasan? Silent….”
Thousands have been murdered in Iran. Greta Thunberg? Silent. Francesca Albanese? Silent. Mehdi Hasan? Silent. Cenk Uygur? Silent. Ana Kasparian? Silent. The media? Silent. The UN? Silent. Ms. Rachel? Silent. https://t.co/qYiskTIfHi
Terwijl het Iraanse regime met bruut geweld protesten neerslaat en duizenden burgers ombrengt, blijft het oorverdovend stil bij veel prominente stemmen die zich doorgaans luid roeren over mensenrechten. Een tweet van commentator Eyal Yakoby ging viraal met een opsomming van namen – van klimaatactiviste Greta Thunberg tot journalist Mehdi Hasan – die volgens hem zwijgen over het bloedbad in Iran. De beschuldiging raakt een gevoelige snaar: is er sprake van selectieve verontwaardiging, of maken we ons schuldig aan een klassieke denkfout?
De bloedige realiteit in Iran
Laten we eerst de feiten onder ogen zien, want die zijn schokkend genoeg. Sinds eind december 2025 wordt Iran opgeschrikt door de grootste protestgolf sinds de “Vrouw, Leven, Vrijheid”-beweging van 2022. Wat begon als economisch protest in de Grote Bazaar van Teheran, breidde zich razendsnel uit naar minstens 27 provincies. De eisen van de demonstranten gaan inmiddels veel verder dan brood op de plank: ze roepen om fundamentele democratische verandering.
Het antwoord van het regime is meedogenloos. Volgens gezamenlijk onderzoek van Amnesty International en Human Rights Watch hebben veiligheidstroepen, waaronder de beruchte Islamitische Revolutionaire Garde (IRGC), minstens 28 demonstranten en omstanders gedood tussen 31 december 2025 en 3 januari 2026 alleen al. Onder de slachtoffers bevinden zich kinderen. De troepen gebruiken geweren, hagel met metalen kogels, waterkanonnen en traangas tegen overwegend vreedzame demonstranten.
“Mensen in Iran die het aandurven om hun woede te uiten over decennia van onderdrukking en fundamentele verandering te eisen, worden opnieuw beantwoord met kogels en bruut geweld.”
Op 8 januari 2026 legde het regime een volledige internet- en telecommunicatieblokkade op, een beproefde tactiek om de buitenwereld blind te houden voor de omvang van het geweld. Amnesty International noemt deze digitale verduistering op zichzelf al een ernstige mensenrechtenschending.
De cijfers die de wereld zou moeten schokken
De huidige protesten staan niet op zichzelf. Iran behoort structureel tot de landen met de meeste executies ter wereld. Volgens de Verenigde Naties werden in 2024 meer dan 900 mensen geëxecuteerd, waaronder tientallen vrouwen. De doodstraf wordt toegepast voor misdrijven die in de meeste landen niet eens strafbaar zijn: homoseksualiteit, “afvalligheid” van de islam, overspel.
Het Amnesty-rapport over 2024 schetst een dystopisch beeld:
- Systematische onderdrukking: vrijheid van meningsuiting, vereniging en vreedzaam protest worden actief onderdrukt
- Gedwongen verdwijningen: wijdverspreid en systematisch toegepast
- Marteling: routinematig gebruikt, inclusief geseling en amputatie als straf
- Discriminatie: vrouwen, LGBTI-personen, etnische en religieuze minderheden worden structureel vervolgd
- Straffeloosheid: voor de gevangenismoorden van 1988 is nog steeds niemand berecht
Zes leden van een dissidente groep werden in december 2024 ter dood veroordeeld. De hoofddoekplicht wordt steeds brutaler gehandhaafd. Afghaanse vluchtelingen worden massaal het land uitgezet naar een onzekere toekomst onder de Taliban.
Het beschuldigende zwijgen
Tegen deze achtergrond stelt Eyal Yakoby een pijnlijke vraag: waar zijn de stemmen die we normaal gesproken horen als het om mensenrechten gaat? Hij noemt specifiek klimaatactiviste Greta Thunberg, VN-rapporteur Francesca Albanese, journalist Mehdi Hasan, en de presentatoren van The Young Turks. Ook wijst hij naar “de media” en zelfs de VN als geheel.
De impliciete beschuldiging is helder: deze figuren maken zich druk om bepaalde conflicten – lees: de situatie in Gaza – maar kijken weg als het Iraanse regime zijn eigen bevolking afslacht. De suggestie is dat hun activisme selectief en dus hypocriet is.
Dit argument vindt weerklank bij veel mensen. De linkse mediaorganisaties en progressieve stemmen die dag in dag uit berichten over Palestijnse slachtoffers, lijken inderdaad opvallend stil over de systematische onderdrukking in Iran. Waar zijn de massale demonstraties? Waar zijn de universiteitsbezettingen? Waar zijn de eindeloze Twitter-threads?
Wat is whataboutism eigenlijk?
Voordat we verder gaan, is het cruciaal om een belangrijk retorisch concept te begrijpen: whataboutism. Deze term beschrijft een discussietechniek waarbij je kritiek ontwijkt door naar iets anders te wijzen. “Jij bekritiseert land X? Maar wat dacht je van land Y?”
Het is een drogreden, en wel om een simpele reden: beide dingen kunnen tegelijkertijd waar en verkeerd zijn. Als iemand zegt dat Rusland mensenrechten schendt, is “maar Amerika deed ook slechte dingen” geen weerlegging. Het is afleidingsmanoeuvre.
Maar hier wordt het interessant. De tweet van Yakoby is zélf een vorm van whataboutism, zij het een omgekeerde variant. In plaats van kritiek op Israël te beantwoorden met “maar Iran dan?”, wordt de vraag gesteld: waarom bekritiseren deze mensen Israël wel, maar Iran niet?
Dit is wat we selectieve verontwaardiging noemen: het verwijt dat iemand alleen boos wordt over bepaalde onrechtvaardigheden. En hoewel dit verwijt soms terecht kan zijn, schuilt er een fundamenteel probleem in.
De onmogelijke standaard van universele verontwaardiging
Stel uzelf de vraag: is het mogelijk voor één persoon om over alle onrecht in de wereld even luid te zijn? Het antwoord is evident: nee. Mensen hebben beperkte tijd, energie en expertise. Activisten specialiseren zich, net zoals artsen, wetenschappers en journalisten dat doen.
Greta Thunberg werd beroemd als klimaatactiviste. Francesca Albanese is VN-rapporteur voor de Palestijnse gebieden – letterlijk haar functieomschrijving. Mehdi Hasan is journalist met een focus op bepaalde regio’s en thema’s. Het feit dat zij niet over alles tweeten, maakt hun zorgen niet automatisch onoprecht.
Bovendien: hoe controleren we eigenlijk of iemand “stil” is? Hebben de makers van deze tweet alle uitingen van alle genoemde personen doorgespit? Of is het een aanname gebaseerd op wat zij toevallig wel of niet in hun tijdlijn zagen verschijnen?
De psychologie van selectieve aandacht
Hier speelt een fascinerend psychologisch fenomeen: selectieve aandacht. Ons brein kan niet alle informatie tegelijk verwerken, dus filtert het. We zien wat we verwachten te zien, wat aansluit bij onze bestaande overtuigingen.
Dit werkt twee kanten op. Iemand die al wantrouwend staat tegenover progressieve activisten, zal een tweet als die van Yakoby gretig delen – het bevestigt wat ze al dachten. Ze zullen niet controleren of de beschuldiging klopt. Dit heet confirmation bias.
Tegelijkertijd is het mogelijk dat progressieve activisten daadwerkelijk minder aandacht besteden aan Iran dan aan andere conflicten. De vraag is dan: waarom? Is het bewuste hypocrisie, of spelen er andere factoren?
Waarom sommige conflicten meer aandacht krijgen
Media-aandacht volgt bepaalde patronen die niet altijd met de ernst van een situatie samenhangen:
- Nabijheid en herkenbaarheid: Conflicten waarbij westerse landen direct betrokken zijn (door wapenleveranties, bondgenootschappen) voelen “relevanter”
- Toegang tot informatie: Iran legt regelmatig internetblokkades op, waardoor beelden en verhalen de buitenwereld moeilijker bereiken
- Framing door autoriteiten: Westerse overheden spreken zich al decennia kritisch uit over Iran, waardoor activisme daar minder “nodig” lijkt
- Gepercipieerde verantwoordelijkheid: Progressieve westerlingen voelen zich meer verantwoordelijk voor wat hun eigen overheden (mede)mogelijk maken
Dit verklaart – zonder te rechtvaardigen – waarom bepaalde conflicten disproportionele aandacht krijgen. Het is niet per se hypocrisie; het is menselijke psychologie gecombineerd met geopolitieke complexiteit.
De instrumentalisering van lijden
Er is echter iets verontrustends aan de manier waarop dit debat gevoerd wordt. De Iraanse slachtoffers in Yakoby’s tweet worden niet primair genoemd om hen te helpen. Ze worden ingezet als retorisch wapen tegen critici van Israël.
Dit is wat experts instrumentalisering van mensenrechten noemen: het gebruiken van echt lijden niet om dat lijden te verzachten, maar om een ander debat te winnen. De vraag die we onszelf moeten stellen: helpt deze tweet de Iraanse demonstranten? Of gaat het eigenlijk om iets anders?
Let op de context. De tweet noemt specifiek mensen die kritisch zijn over Israëls optreden in Gaza. De onderliggende boodschap lijkt te zijn: “Jullie kritiek op Israël is hypocriet, want jullie zwijgen over Iran.” Maar dit is opnieuw whataboutism – kritiek op Israël wordt niet minder geldig door te wijzen op stilte over Iran.
Het “silence is complicity”-argument
Een veelgehoorde stelling is dat zwijgen over onrecht betekent dat je het goedkeurt. “Silence is complicity” – stilte is medeplichtigheid. In sommige gevallen klopt dit. Als je directe macht hebt om iets te stoppen en je doet niets, draag je morele verantwoordelijkheid.
Maar het argument wordt vaak te breed toegepast. Niet iedereen kan of moet over alles spreken. Zwijgen kan vele redenen hebben: gebrek aan expertise, focus op andere zaken, simpelweg niet weten wat er speelt. Het ontbreken van een tweet is geen bewijs van morele corruptie.
Sterker nog: als we deze standaard consequent toepassen, is iedereen medeplichtig aan alles. Twittert u vandaag over de situatie in Myanmar? De onderdrukking van Oeigoeren? De hongersnood in Soedan? Zo niet, bent u dan medeplichtig?
Wat we wél kunnen concluderen
Na deze analyse blijven enkele belangrijke punten overeind:
Ten eerste: de situatie in Iran is catastrofaal en verdient veel meer internationale aandacht. Het regime pleegt misdaden tegen de menselijkheid, en de wereld kijkt grotendeels weg. Dit is een legitieme grief.
Ten tweede: er bestaat zoiets als selectieve verontwaardiging, en het is waardevol om onze eigen blinde vlekken te onderzoeken. Progressieve bewegingen zouden er goed aan doen om te reflecteren op welke conflicten ze wel en niet belichten.
Ten derde: de manier waarop deze discussie wordt gevoerd – via beschuldigende tweets die individuen aan de schandpaal nagelen – is contraproductief. Het polariseert, het instrumentaliseert Iraans lijden, en het leidt af van zowel de situatie in Iran als andere humanitaire crises.
De weg vooruit
De Iraanse demonstranten vechten voor hun leven en hun vrijheid. Ze verdienen onze aandacht, niet als retorisch wapen in een westers cultuurgevecht, maar omwille van hun eigen strijd. Mensenrechtenorganisaties als Human Rights Watch en Amnesty International doen belangrijk werk door de misdaden te documenteren, ook wanneer het internet wordt platgelegd.
Voor ons als nieuwsconsumenten en -verspreiders ligt er een taak: kritisch blijven op onze eigen selectieve aandacht, maar ook op degenen die mensenrechten instrumentaliseren voor politieke punten. De vraag “waarom zwijgt X over Y?” kan legitiem zijn, maar alleen als we oprecht geïnteresseerd zijn in het antwoord – en in het lot van de slachtoffers.
De duizenden doden in Iran verdienen onze verontwaardiging. Ze verdienen echter ook beter dan te worden gereduceerd tot munitie in een online cultuuroorlog.