In een korte maar inhoudelijk dense toespraak van vijf minuten legt de Britse politiek commentator en historicus Rafe Heydel-Mankoo zijn visie uit op wat hij “cultureel Marxisme” noemt — en hoe dit fenomeen volgens hem aan de grondslag ligt van de hedendaagse cultuurstrijd in het Westen. De video, gepubliceerd op YouTube, trekt een rechtstreekse lijn van Karl Marx en de Russische Revolutie naar hedendaagse begrippen als “woke”, kritische rassentheorie en queer-theorie.
Marx als sleutelfiguur, niet Darwin
Heydel-Mankoo opent zijn betoog met een opvallende stelling: niet Charles Darwin, maar Karl Marx is in zijn ogen de meest bepalende figuur voor de problemen waarmee de westerse beschaving vandaag kampt. “Ik ben meer geneigd om naar Marx te kijken dan naar Darwin als de bron van de problemen van de westerse beschaving,” zegt hij. Waar Darwins denken gewoonlijk wordt geassocieerd met ideeën over het overleven van de sterksten, draait de huidige ideologische strijd volgens hem juist om het tegenovergestelde: het bevrijden van de onderdrukten van de onderdrukker. Die logica van onderdrukking en bevrijding traceert hij rechtstreeks terug naar het marxistische gedachtegoed.
Hij beschouwt wat mensen vandaag “postmodernisme” of “woke” noemen in essentie als een herkansing van het Marxisme: “Ik denk dat het uiteindelijk Marxisme is onder een nieuw etiket.” Die herdefinitie is, zo stelt hij, geen toeval, maar het resultaat van een bewust ideologisch project dat decennialang gerijpt heeft binnen westerse academische en culturele instellingen.
De mislukking van de klassieke revolutie
Om zijn argument kracht bij te zetten, gaat Heydel-Mankoo terug naar de periode na de Russische Revolutie van 1917. Marxistische theoretici verwachtten destijds dat de revolutie zou uitbreken in de geïndustrialiseerde landen van West-Europa — Duitsland of Groot-Brittannië leken de logische kandidaten. Toch gebeurde het in het agrarische Rusland, en later in China. De vraag die marxistische denkers vervolgens bezighield: waarom wilde het Europese proletariaat niet in opstand komen?
Het antwoord dat zij formuleerden, was voor Heydel-Mankoo cruciaal: de arbeidersklasse bleek in de praktijk geen revolutionair potentieel te hebben. “Wat zij fundamenteel inzagen, was dat het proletariaat in wezen een conservatieve, vaderlandslievende werkende klasse was — hetzelfde soort mensen dat in dit land voor Brexit stemde, hetzelfde soort mensen dat in Amerika voor Trump stemde.” De klassieke marxistische strategie van het veroveren van de industriële productiemiddelen was bijgevolg een doodlopende weg.
Gramsci en de Frankfurter School: de strijd om de cultuur
Het antwoord op dit revolutionaire falen kwam, volgens Heydel-Mankoo, van twee kanten. Enerzijds was er de Italiaanse communist Antonio Gramsci, die bepleitte dat men niet de industriële maar de culturele productiemiddelen moest veroveren. Gramsci stelde dat de arbeidersklasse de verkeerde wereldvisie had, en dat die moest worden veranderd alvorens een politieke omwenteling mogelijk was. Anderzijds was er de Frankfurter School in Duitsland, een groep intellectuelen die een gelijkaardige conclusie trok: wie de cultuur beheerst — de media, de universiteiten, het onderwijs — beheerst de samenleving.
“Het idee was dat je de controle moest grijpen over de media, de universiteiten, het onderwijssysteem — alles wat de cultuur van een samenleving vormgeeft — en in wezen een proces van ideologische ondermijning moest opzetten,” aldus Heydel-Mankoo. Na de Tweede Wereldoorlog trokken figuren als de filosoof Herbert Marcuse naar de Verenigde Staten, waar zij zich ingroeven in academische instellingen zoals de Universiteit van Berkeley. Daar zouden concepten als kritische rassentheorie en verwante ideologieën hun academische wortels vinden.
De lange mars door de instellingen
In de jaren zestig radicaliseerden studenten zich in Europa en Amerika. Sommigen droomden van een snelle revolutie, maar de Duits-marxistische activist Rudi Dutschke — die Heydel-Mankoo bij name noemt — bepleitte een langetermijnstrategie. Amerika was destijds nog te patriottisch en te stabiel voor een directe omverwerping. “Hij zei: zo gaan we niet winnen. We moeten een lange mars door de instellingen ondernemen, een heel traag en geleidelijk proces waarbij we de samenleving overnemen,” vertelt Heydel-Mankoo.
Die strategie was gericht op het kweken van een nieuwe generatie leiders in alle sectoren van het openbare leven — politiek, onderwijs, media, rechtspraak — die de marxistische waarden en ideeën zouden omarmen, zij het in een aangepaste, meer aanvaardbare verpakking. “We hebben geprobeerd generaties van leiders te creëren uit alle lagen van het openbare leven die deze waarden en ideeën onderschrijven, die fundamenteel marxistisch van oorsprong zijn, maar die zij volkomen oprecht als liberaal beschouwen.”
Nieuwe voetsoldaten: minderheden als politiek instrument
Het laatste ontbrekende stuk van de puzzel was, aldus Heydel-Mankoo, de vraag wie de voetsoldaten van de nieuwe revolutie zouden zijn. Als de arbeidersklasse ideologisch niet meeging, moest men elders zoeken. Het antwoord: minderheden. Vrouwen — die geen minderheid vormen in numerieke zin, maar als zodanig worden gepercipieerd — etnische minderheden, holebi-gemeenschappen en andere groepen die als “onderdrukt” konden worden omschreven, werden de nieuwe hefboom voor maatschappelijke verandering.
Om dit te illustreren, haalt Heydel-Mankoo een metafoor aan van een politicoloog: net als bij het genus van de kat — dat leeuwen, luipaarden, poema’s en huiskatten omvat — zijn er meerdere varianten van hetzelfde basispatroon. “Je hebt het klassieke Marxisme, dat draait om de tegenstelling tussen onderdrukker en onderdrukten, tussen proletariaat en bourgeoisie. Maar dan heb je radicaal feminisme, dat een aanval is op de mannelijkheid en de mannelijke kwaliteiten van de westerse beschaving. Dan heb je kritische rassentheorie, die een aanval is op witheid. Dan heb je queer-theorie, die een aanval is op het kerngezin als bouwsteen van de westerse beschaving. Dan heb je postkoloniale theorie, die een aanval is op de geschiedenis en het erfgoed van het Westen.” Al deze stromingen zijn, volgens hem, met elkaar verbonden via het concept van intersectionaliteit — de idee dat verschillende vormen van onderdrukking elkaar versterken en overlappen.
Een project van dertig jaar
Heydel-Mankoo besluit zijn betoog met een dringende waarschuwing. Hij schat dat de westerse samenleving al minstens dertig jaar diep in dit project zit. De gevolgen zijn volgens hem verwoestend voor de fundamenten van de westerse beschaving: mannelijkheid, de kerngezinsstructuur, nationale identiteit en de Europese culturele erfenis zijn systematisch ondermijnd. “Alle fundamentele pijlers van kracht zijn van binnenuit ondermijnd,” zo luidt zijn slotboodschap.
De toespraak van Heydel-Mankoo is een bondige synthese van een bredere conservatieve kritiek op wat men de “culturele linkerzijde” noemt. Zijn analyse put uit een lange intellectuele traditie die Gramsci, de Frankfurter School en de studentenrevolutie van ’68 verbindt met hedendaagse debatten over identiteitspolitiek en sociale rechtvaardigheid. Of men zijn conclusies deelt of niet, het betoog biedt een helder inzicht in hoe een deel van het politieke spectrum de culturele verschuivingen van de laatste decennia interpreteert en benoemt.