Wereld

De omgekeerde logica van het progressieve Westen: Melanie Phillips over 7 oktober en moreel zelfbedrog

In een veelbesproken toespraak neemt de Britse journaliste en commentatrice Melanie Phillips de westerse liberaal-progressieve geesteshouding onder de loep. Haar centrale these is scherp en provocerend: het progressieve Westen is na de Hamas-aanval van 7 oktober 2023 verwikkeld geraakt in een vorm van moreel zelfbedrog, gedreven door de noodzaak om de eigen wereldvisie en zelfperceptie intact te houden. Phillips is bekend als conservatief commentatrice en auteur van werken over de islamisering van Europa en het verval van westerse waarden. In deze uiteenzetting concentreert ze zich op de psychologische mechanismen die, naar haar mening, verklaren waarom zoveel progressieve stemmen na de aanvallen van Hamas weigerden de slachtoffers centraal te stellen.

De liberale identiteitslogica: goed zijn door te geloven

Phillips opent haar betoog met een analyse van de liberale zelfopvatting. Volgens haar definieert de westerse liberaal zichzelf in de eerste plaats via morele posities: “Ik ben een goed mens omdat ik liberaal ben, en ik ben liberaal omdat ik een goed mens ben.” Die cirkelredenering vormt, aldus Phillips, de kern van het probleem. Het liberale zelfbeeld is opgebouwd rond waarden als broederschap, compassie, zorg voor de zwakkere en verzet tegen machtsmisbruik. Dat zijn op zichzelf eerbare principes, maar ze leiden — in haar lezing — tot een rigide morele indeling van de wereld in onderdrukkers en onderdrukten.

Binnen die indeling werden de Palestijnen decennia lang gepositioneerd als het archetype van het onderdrukte volk, en Israël als de belichaming van de onderdrukkende macht. “Elk onderdeel van dat verhaal is naar mijn mening een leugen,” stelt Phillips zonder omwegen, “maar dat terzijde — dit is wat de liberaal-progressieve denkt.” Haar betoog richt zich niet zozeer op de feiten van het conflict zelf, maar op de psychologie van degenen die die narratief koesteren en verdedigen.

7 oktober als breukmoment: het narratief in crisis

De aanvallen van Hamas op 7 oktober 2023, waarbij meer dan 1.200 mensen werden gedood en circa 250 anderen werden gegijzeld, plaatsten de progressieve wereld volgens Phillips voor een ondraaglijke cognitieve dissonantie. De mensen die zij als onderdrukt en dus moreel gerechtvaardigd beschouwden, hadden zich op een manier gedragen die haaks stond op elke humanitaire waarde. “Plotseling zagen we dat diezelfde mensen veranderd waren in de meest bloeddorstige barbaren die men zich kan voorstellen,” aldus Phillips. “Niet zomaar mensen die doodden, maar mensen die slachtten op een sadistische, barbaarse, ontaarde en verdorven manier die mensen zich niet kunnen voorstellen.”

Ze somt op wat er volgens haar en de beschikbare getuigenissen gebeurde: slachtingen, verkrachting, onthoofding, marteling en het levend verbranden van baby’s, kinderen, vrouwen en bejaarden. De progressief, zegt Phillips, werd hiermee geconfronteerd met een nachtmerriescenario: de mensen die hij steunde als slachtoffers, bleken daders te zijn van ongekend geweld, terwijl de mensen die hij als daders had bestempeld — de Israëliërs — nu de daadwerkelijke slachtoffers waren.

De psychologische onmogelijkheid van toegeven

Dit is het scharnierpunt van Phillips’ redenering. Als de progressieve de werkelijkheid van 7 oktober volledig had erkend, zo stelt ze, had dat zijn volledige morele wereldvisie laten instorten. “Als ze dat toegeven, als ze erkennen dat het zo is, dan is hun hele wereldvisie aan diggelen geslagen. Want de zaak die ze hebben gesteund als symbool van het goede, blijkt slecht te zijn. En wat maakt dat hen? Dat maakt hen slecht.” Die conclusie is psychologisch onhoudbaar voor mensen wier identiteit volledig gestoeld is op de overtuiging een goed mens te zijn. En dus, aldus Phillips, kiezen velen voor een andere uitweg.

Die uitweg bestaat uit een radicale inversie: het omdraaien van goed en kwaad, van dader en slachtoffer, van gerechtigheid en ongerechtigheid. “Ze gaan buitengewone lengten om te doen alsof zwart wit is, dat rechtvaardigheid onrecht is, dat onderdrukking verzet is, en omgekeerd.” De logische consequentie daarvan is dat Israël verantwoordelijk wordt gesteld voor wat er is gebeurd — en dat op een manier die, in de ogen van Phillips, geen toevallige politieke positie is, maar een psychologische noodgreep.

Projectie en de beschuldiging van genocide

Phillips introduceert het begrip projectie als sleutelmechanisme. De meest effectieve manier om iemand de schuld te geven, zo betoogt ze, is hem te beschuldigen van precies datgene waarvan hij zelf het slachtoffer is. Ze wijst op de wijdverspreide beschuldigingen van genocide en vergelijkingen met het naziregime die in de maanden na 7 oktober in westerse media en op universiteiten opdoken. “Het is niet zomaar iets aanstootgevends. Het is een zeer doelbewuste daad, want als de Israëliërs nazi’s zijn, dan zijn wij — het liberale Westen — vrij van enig schuldgevoel of enige associatie met het kwaad.”

Door Israël als het absolute kwaad te framen, zo redeneert Phillips, herstelt de progressieve zijn eigen morele onschuld. Hij hoeft niet te reflecteren op zijn eigen aandeel in het legitimeren van Hamas-ideologie of -geweld, want de aandacht wordt volledig verlegd naar de vermeende misdaden van de tegenstander. De beschuldiging van genocide functioneert in die optiek niet als een juridisch of historisch argument, maar als een morele vrijbrief.

De posters van de gijzelaars: een symptomatisch gebaar

Een van de meest indringende passages in Phillips’ betoog gaat over de beelden die na 7 oktober viraal gingen op sociale media: mensen die posters van Israëlische gijzelaars — baby’s, kinderen, vrouwen — met zichtbare woede van muren en palen scheurden. Phillips stelt de vraag wat er omgaat in het hoofd van iemand die zoiets doet. “Dit waren geen posters die Israël of de Israëlische strijdkrachten aanprezen. Het waren foto’s van baby’s, kinderen en vrouwen die door bloeddorstige monsters waren ontvoerd.”

Toch werden die gezichten weggescheurd, vaak met vertrokken gelaatstrekken van woede en haat. Phillips’ interpretatie is psychologisch van aard: “Het leek me dat ze het letterlijk, met hun nagels, uit het zicht moesten verwijderen. Het was iets dat absoluut niet mocht bestaan.” De Israëlische kinderen als slachtoffer — dat beeld was onverenigbaar met de narratief waarop de betrokkenen hun eigen morele waarde hadden gebouwd. En dus moest het verdwijnen. Meer nog: Phillips ziet er een symbolische daad in van het letterlijk uitwissen van de Joodse aanwezigheid uit het eigen morele universum. “Ze probeerden het Joodse volk volledig uit hun wereld te scheuren, uit hun blikveld, uit hun gedachten en uit hun geweten.”

Een symptoom van bredere ideologische ontsporing

Phillips sluit haar betoog af met een bredere cultuurkritische diagnose. De genocide-inversie en de reactie op 7 oktober zijn voor haar geen geïsoleerde aberraties, maar symptomen van een diepere ideologische ontsporing van het liberale Westen. Ze spreekt van “het kwaad” dat het Westen is ingesijpeld via een reeks ideologieën en denkstromingen die de kern uitmaken van wat we vandaag de liberaal-progressieve cultuur noemen. Zonder die ideologieën bij naam te noemen, suggereert ze dat er een fundamentele correctie nodig is in de manier waarop het Westen over moraal, slachtofferschap en gerechtigheid nadenkt.

Of men Phillips’ analyse deelt of niet — haar betoog raakt aan een reëel maatschappelijk debat dat na 7 oktober met grote intensiteit is gevoerd, ook in Europa. De spanning tussen solidariteit met Palestijnen enerzijds en de veroordeling van Hamas-terreur anderzijds heeft in vele landen politieke breuklijnen blootgelegd en publieke figuren voor moeilijke keuzes gesteld. Phillips kiest daarin een uitgesproken positie: voor haar is er geen morele grijs zone mogelijk wanneer het gaat over de feiten van 7 oktober, en wie die feiten miskent of inverteert, begaat volgens haar niet enkel een intellectuele vergissing, maar een morele.