Opinie

Wanneer feiten onwaar worden verklaard: de UGent-controverse en de prijs van realiteitsontkenning

Het VRT-artikel over de protesten aan de Universiteit Gent tegen de aanstelling van Nathan Cofnas legt een verontrustend patroon bloot: 300 medewerkers, studenten en academici eisen herziening van zijn contract omdat hij uitspraken doet over rassenverschillen in intelligentie, die ze als “racistisch” en in strijd met de deontologische code bestempelen. Dit sluit naadloos aan bij het eerder besproken PISA- en IQ-artikel, dat de dramatische cognitieve kloof tussen West-Europa en moslim-migratieherkomstlanden (Syrië, Somalië, Palestina, Libanon) met harde cijfers aantoont. Regio’s zijn geen willekeurige geografische labels, maar weerspiegelen evolutionair gevormde genetische clusters met meetbare gemiddelde verschillen in cognitieve capaciteiten – een onderscheid dat critici bewust vermengen met ouderwetse rassentheorieën om debat te smoren.

De effectieve IQ-scores van regio’s bevestigen dit onweerlegbaar. Sub-Sahara-Afrika scoort volgens de meest uitgebreide syntheses (Lynn & Becker en recente 2025-validaties) gemiddeld rond 70, Noord-Afrika tussen 76 en 82, wat het continentale gemiddelde voor heel Afrika op circa 73 brengt. Deze scores corresponderen sterk met de lage PISA-resultaten en verklaren waarom massale import uit deze gebieden leidt tot structurele druk op scholen in Antwerpen en elders. De werkelijke feiten geven professor Richard Lynn in grote lijnen gelijk: zijn schattingen worden door onafhankelijke analyses grotendeels bevestigd, en de meeste kritiek op zijn werk blijkt ideologisch gedreven en methodologisch ongegrond.

Door onderzoekers zoals Lynn of Cofnas voorbarig te cancelen, verbieden activisten niet alleen een persoon, maar de empirische realiteit zelf. Het rectoraat van UGent mag nog zo nobel spreken over “debat voeren”, de eis tot herziening is een klassiek voorbeeld van cancelcultuur die feiten als onwelkom brandmerkt. Zo creëren linkse activisten een eigen waanwereld waarin regionale IQ-verschillen simpelweg niet mogen bestaan. Wat is het nut nog van de waarheid als ze alleen mag circuleren zolang ze het progressieve narratief dient?

De linkse drang om deze werkelijkheid te ontkennen – door elke vaststelling van groepsverschillen als “racistisch” af te doen – is niet progressief, maar destructief. Het leidt tot overbelaste leraren, dalende onderwijskwaliteit en een samenleving die haar eigen cognitieve kapitaal actief ondermijnt. In plaats van de feiten te omarmen en beleid daarop af te stemmen (zoals vroegtijdige remediëring of selectieve migratie), kiest men voor morele verontwaardiging en deontologische censuur. “Wat als feiten onwaar zijn?” vraagt men dan retorisch, terwijl de data onweerlegbaar blijven.

Een universiteit die wetenschappers verbiedt omdat hun conclusies ongemakkelijk zijn, heeft haar rol als zoekers van waarheid opgegeven. De UGent-affaire en de aanhoudende aanvallen op Lynn tonen aan dat een deel van de academische wereld en linkse kringen liever in een comfortabele waanwereld leeft dan de ongemakkelijke feiten onder ogen te zien. Zolang de waarheid als racistisch wordt bestempeld, blijft effectief beleid onmogelijk. Het is hoog tijd dat de feiten prevaleren boven ideologie.