Het flexvervoer van De Lijn blijkt een kostelijke aangelegenheid te zijn. Nieuwe cijfers tonen aan dat de kleine bussen die het klassieke openbaar vervoer moeten vervangen in dunbevolkte gebieden, vorig jaar 18 miljoen kilometer hebben afgelegd waarvan maar liefst 52 procent zonder enige reiziger aan boord.
Wat is flexvervoer precies?
Het flexvervoer vervangt sinds 2024 de vroegere belbussen in het kader van het nieuwe vervoersplan van De Lijn. Deze dienst richt zich op haltes waar geen reguliere bussen stoppen. Reizigers moeten hun rit vooraf boeken via de Hoppin-app, website of telefoon, tussen 30 dagen en 30 minuten voor vertrek. Het gaat meestal om kleinere voertuigen met plaats voor acht personen.
Grote regionale verschillen
CD&V-parlementslid An Christiaens, die de cijfers opvroeg, wijst op opmerkelijke regionale verschillen. In de Kempen en rond Gent wordt zelfs 66 procent van alle flexkilometers zonder passagiers gereden, terwijl dit in de Westhoek beperkt blijft tot 43 procent. Volgens Christiaens toont dit aan dat het systeem dringend bijsturing nodig heeft.
Capaciteitstekorten ondanks lege ritten
Paradoxaal genoeg kampt het flexvervoer met capaciteitsproblemen. In verschillende regio’s worden aanvragen geweigerd door gebrek aan beschikbare voertuigen of chauffeurs. Dit terwijl een groot deel van de vloot regelmatig leeg rondrijdt. ‘Het flexvervoer slaagt er niet in om alle vervoersvragen efficiënt te beantwoorden’, stelt Christiaens vast.
Minister verdedigt systeem
Vlaams mobiliteitsminister Annick De Ridder (N-VA) erkent dat het flexvervoer geen ideale oplossing is, maar benadrukt wel de noodzaak ervan voor de bereikbaarheid van afgelegen gebieden. Ze wijst erop dat het systeem vorig jaar al werd aangepast, onder meer door gebruikers die niet opdagen te schorsen. Volgens De Ridder is het terugkeren naar inefficiënte buslijnen geen realistische optie.
Debat over toekomst openbaar vervoer
De discussie over het flexvervoer illustreert de bredere uitdagingen waarmee het Vlaamse openbaar vervoer kampt. Enerzijds is er de noodzaak om ook dunbevolkte gebieden te bedienen, anderzijds moet dit op een kostenefficiënte manier gebeuren. Voor veel mensen gaat het om essentiële verplaatsingen zoals doktersbezoeken, woon-werkverkeer of schoolvervoer.