Wetenschap & Tech

Wetenschappers leren moleculen ‘denken’ en onthullen daarmee wat een ‘geest’ werkelijk is

Revolutionaire ontdekking: zelfs moleculen tonen een vorm van bewustzijn

Iedereen kent het wel: je neemt je voor om na één stukje chocolade te stoppen, of na één glas wijn, of na één aflevering van die verslavende serie. Maar voor je het weet, zit je alweer aan het volgende stuk, het volgende glas, de volgende aflevering. Maar wie of wat is eigenlijk dat ‘zelf’ dat deze innerlijke strijd voert voordat het toegeeft aan de verleiding? Deze ogenschijnlijk eenvoudige vraag raakt aan de kern van wat bewustzijn en een ‘zelf’ werkelijk betekenen.

De cellen in onze darmen werken op de een of andere manier samen met die in onze hersenen en handen om te reiken naar die chocoladereep, die fles wijn of die ‘volgende aflevering’-knop. Bij toenemende complexiteit wordt op een bepaald moment een grens overschreden waarbij het geheel meer wordt dan de som der delen. Op dat punt ontstaat een ‘zelf’ – een entiteit die handelt in de wereld op manieren die jouw doelen en verlangens dienen.

Maar wat als die ‘zelven’ al aanwezig zijn in die individuele cellen, nog voordat ze samensmelten tot een groter geheel? Het klinkt misschien vergezocht, maar biologische simulaties tonen aan dat deze minuscule levenseenheden, die we gewoonlijk beschouwen als passieve machines die blind worden gestuurd door natuurwetten, hun eigen doelen hebben en zelfstandig handelen. Nog verrassender is dat zelfs eenvoudige netwerken van biomoleculen een zekere mate van een ‘zelf’ lijken te vertonen. Deze ontdekking kan leiden tot geheel nieuwe manieren om gezondheidsproblemen te behandelen met veel minder bijwerkingen.

Wat is een ‘zelf’ eigenlijk? De wetenschappelijke definitie van handelingsvermogen

Biologen en neurowetenschappers definiëren zelven technisch gezien als agenten die doelen hebben en handelen op manieren die deze doelen bereiken. Agenten worden niet simpelweg heen en weer geduwd door hun omgeving, maar veranderen zichzelf en hun omgeving op doelgerichte manieren. Met andere woorden, ze hebben causale macht over zichzelf en hun omgeving. Om met handelingsvermogen te kunnen handelen, moet je informatie kunnen opnemen, die informatie gebruiken om problemen op te lossen en vervolgens leren door te onthouden hoe die acties uitpakten.

Neurowetenschappers noemen dit breed cognitie en gebruiken hersenscanners en gedragsexperimenten om deze constellatie van processen te bestuderen. Traditioneel schrijven we cognitie alleen toe aan dingen met hersenen. Emily Dolson, theoretisch bioloog aan de Michigan State University, legt uit dat het gemakkelijk is om verstrikt te raken in het idee dat hersenen ons eerste voorbeeld van cognitie zijn, en dat veel mensen daarom denken dat hersenen in dit opzicht speciaal moeten zijn.

Een groeiend aantal onderzoekers onderzoekt echter waar deze vaardigheden nog meer opduiken, door vergelijkbare methoden toe te passen op veel eenvoudigere organismen die geen hersenen hebben in conventionele zin. In de afgelopen jaren hebben studies naar het gedrag en de elektrische en chemische signalering van slijmzwammen, planten en zelfs eencellige organismen verrassende vaardigheden aan het licht gebracht, zoals leren, het vormen van herinneringen en het aanpassen van beslissingen wanneer nieuwe informatie binnenkomt.

Van immuunsysteem tot celcollectieven: handelingsvermogen overal in het lichaam

Onderzoekers hebben de reikwijdte van cognitie zelfs uitgebreid naar kleinere systemen binnen het menselijk lichaam. Het immuunsysteem bijvoorbeeld construeert zijn eigen geheugen van welke eiwitten het zal helpen schadelijke indringers af te weren. Groepen cellen werken samen om het lichaam uit eigen beweging te laten groeien en te herstellen. Met andere woorden, zowel het immuunsysteem als deze celcollectieven handelen met een zekere mate van handelingsvermogen op eigen kracht.

De vraag die zich nu voordoet is: hoe ver kunnen we deze ladder van complexiteit afdalen? Theoretisch bioloog Michael Levin en zijn collega’s aan de Tufts University in Massachusetts hebben onlangs cognitieve instrumenten toegepast op systemen die veel eenvoudiger zijn dan zelfs basale, eencellige organismen – systemen die de meesten van ons als levenloos zouden beschouwen.

Zoals Levin uitlegt, kun je niet zomaar aannemen dat dingen een bepaald niveau van handelingsvermogen hebben. Je moet experimenten doen en dan krijg je verrassingen. Het team bestudeerde de genregulerende netwerken (GRN’s) die in elke cel te vinden zijn en die de essentiële taak hebben om te bepalen wanneer, waar en hoe sterk genen tot expressie komen. Ze bestaan uit netwerken van genen, eiwitten, RNA en andere biomoleculen die met elkaar interageren via vele knooppunten.

Moleculen trainen als Pavlovs honden: een baanbrekend experiment

In het menselijk lichaam proberen we bij een defect in een GRN – bijvoorbeeld wanneer het de productie van een essentieel eiwit niet goed reguleert – vaak te interveniëren met gentherapie om de structuur van het GRN aan te passen. Dit is vergelijkbaar met het toevoegen van een nieuwe transistor aan een defect elektrisch circuit. Deze benadering behandelt deze netwerken alsof ze passieve machines zijn die moeten worden omgebouwd om hun functie te veranderen.

Levin en zijn medewerkers vroegen zich af of ze het gedrag van een GRN op een andere manier konden veranderen: door het systeem te trainen in plaats van te herstructureren. Ze creëerden computersimulaties van GRN’s en pasten een leertechniek toe die analoog is aan de manier waarop Ivan Pavlov honden trainde om te kwijlen bij het horen van een bel. In plaats van de structuur van het netwerk te veranderen, beloonden ze het netwerk wanneer het zich op een gewenste manier gedroeg.

De resultaten waren opmerkelijk. De GRN’s konden inderdaad worden getraind om hun gedrag aan te passen zonder dat hun onderliggende structuur werd gewijzigd. Dit suggereert dat zelfs deze eenvoudige moleculaire netwerken een vorm van plasticiteit en aanpassingsvermogen hebben – eigenschappen die we normaal gesproken associëren met veel complexere systemen met hersenen. De biomoleculaire netwerken vertoonden wat wetenschappers beschrijven als een primitieve vorm van leren en geheugen.

Implicaties voor geneeskunde: behandelen zonder bijwerkingen

Deze ontdekking heeft potentieel enorme implicaties voor de medische wetenschap. Als moleculaire netwerken in ons lichaam kunnen worden getraind in plaats van chirurgisch of genetisch aangepast, opent dit de deur naar een geheel nieuwe klasse van behandelingen. In plaats van de structuur van cellen en weefsels permanent te veranderen met alle risico’s van dien, zouden artsen deze systemen mogelijk kunnen ‘onderwijzen’ om anders te functioneren.

Dit zou kunnen leiden tot therapieën met aanzienlijk minder bijwerkingen. Wanneer we de structuur van biologische systemen aanpassen met medicijnen of gentherapie, lopen we altijd het risico op onbedoelde gevolgen omdat we ingrijpen in fijnmazige, geëvolueerde systemen. Maar als we deze systemen kunnen trainen door hun bestaande capaciteit voor aanpassing te benutten, werken we met de natuurlijke plasticiteit van het lichaam in plaats van ertegen.

Bovendien zou deze benadering kunnen helpen bij het begrijpen en behandelen van complexe aandoeningen waarbij het gedrag van cellulaire netwerken verstoord is, zoals kanker, auto-immuunziekten en neurodegeneratieve aandoeningen. Door te begrijpen dat zelfs moleculaire systemen een vorm van handelingsvermogen en leervermogen hebben, kunnen onderzoekers nieuwe strategieën ontwikkelen die deze intrinsieke eigenschappen benutten.

Wat dit ons leert over de oorsprong van het leven

Maar de implicaties reiken verder dan alleen de geneeskunde. Sommige biologen beweren dat dit nieuwe begrip van het ‘zelf’ kan onthullen wat er speciaal is aan het leven en hoe het in de eerste plaats is ontstaan. Tom Froese, cognitief wetenschapper aan het Okinawa Institute of Science and Technology in Japan, stelt dat de oorsprong van handelingsvermogen samenvalt met de oorsprong van het leven zelf.

Deze visie daagt de traditionele opvatting uit dat leven louter een complex chemisch proces is. In plaats daarvan suggereert het dat zelfs de eenvoudigste levensvormen een bepaalde vorm van doelgerichtheid, zelforganisatie en handelingsvermogen vertonen. Dit zou kunnen betekenen dat de grens tussen levend en niet-levend veel vloeiender is dan we altijd hebben gedacht, en dat de eigenschappen die we associëren met bewustzijn en intentionaliteit diep geworteld zijn in de fundamentele processen van het leven.

Het onderzoek naar slijmzwammen illustreert dit principe op frappante wijze. Deze organismen, die noch plant noch dier zijn, vertonen opmerkelijk intelligent gedrag zonder ook maar iets te hebben dat op een brein lijkt. Ze kunnen labyrinten oplossen, voedsel efficiënt verdelen en zelfs ‘beslissingen’ nemen over hun bewegingsrichting op basis van eerdere ervaringen. Dit daagt onze begrippen van intelligentie en wat het betekent om handelingsvermogen te hebben fundamenteel uit.

Een nieuw paradigma: van machine naar leerling

Wat deze ontdekkingen gezamenlijk suggereren, is een fundamentele verschuiving in hoe we naar biologische systemen kijken. In plaats van ze te beschouwen als ingewikkelde maar uiteindelijk mechanische systemen die puur volgens de wetten van de natuurkunde functioneren, moeten we ze misschien zien als systemen met inherente doelen, leervermogen en een primitieve vorm van intentionaliteit.

Deze paradigmaverschuiving heeft diepgaande filosofische implicaties. Als zelfs moleculaire netwerken een vorm van ‘zelf’ hebben, wat betekent dat dan voor onze eigen ervaring van bewustzijn en vrije wil? Zijn we, zoals sommige filosofen suggereren, gewoon complexere versies van dezelfde fundamentele principes die zelfs op moleculair niveau werkzaam zijn? Of is er op een bepaald punt van complexiteit iets radicaal nieuws ontstaan?

De onderzoekers zijn voorzichtig met het trekken van te vergaande conclusies, maar het werk opent ontegenzeggelijk nieuwe perspectieven op eeuwenoude vragen over de aard van bewustzijn, intentionaliteit en wat het betekent om een ‘zelf’ te zijn. Het suggereert dat deze eigenschappen niet plotseling verschijnen bij een bepaald niveau van neurologische complexiteit, maar eerder gradueel ontstaan uit fundamentelere principes die zelfs op moleculair niveau aanwezig zijn.

Conclusie: de toekomst van dit baanbrekende onderzoek

Het onderzoek van Levin en anderen staat nog in de kinderschoenen, maar de implicaties zijn potentieel revolutionair. Door moleculaire netwerken te trainen in plaats van te herstructureren, openen wetenschappers een geheel nieuwe dimensie in ons begrip van biologie en geneeskunde. De mogelijkheid om biologische systemen te ‘onderwijzen’ in plaats van ze te ‘repareren’ zou de medische praktijk kunnen transformeren en leiden tot veiligere, effectievere behandelingen.

Tegelijkertijd dwingt dit onderzoek ons om onze meest fundamentele aannames over bewustzijn, intelligentie en de aard van het leven te heroverwegen. De ontdekking dat zelfs eenvoudige moleculaire netwerken een vorm van handelingsvermogen vertonen, suggereert dat de eigenschappen die we associëren met ‘geest’ dieper geworteld zijn in de structuur van de natuur dan we ooit hadden gedacht.

In de komende jaren zal verder onderzoek ongetwijfeld meer licht werpen op deze fascinerende vragen. Wetenschappers zullen de grenzen van moleculair leren verder verkennen en onderzoeken hoe deze principes kunnen worden toegepast in praktische toepassingen. Wat nu al duidelijk is, is dat we aan de vooravond staan van een fundamentele herziening van hoe we naar leven, geest en bewustzijn kijken – een herziening die begint bij de allerkleinste bouwstenen van het leven zelf.